Deel I
Marten sliep als een roos als het onweerde. Dat vond hij wel eens jammer,
want hij hield van onweer. Zijn vriend Hugo had hem wel eens gewezen op de
bliksem die hetzelfde pad tweemaal of driemaal aflegde. Als je geluk had kon
je dat ook zien. Maar Hugo was dan ook een natuurkundige. Marten lette meer
op de vorm van de bliksem, de vertakkingen, de structuur die wel wat weg had
van een boom die soms op zijn kop hing en soms vanaf de grond haar takken de
lucht in stak. Hij tekende graag bomen, en hij tekende graag bliksem. Hij
tekende eigenlijk alles graag wat hij in de natuur zag. Volgens Hugo klopte
de bliksems van Marten niet. Ze waren ‘te romantisch’. Het kon Marten niet
deren. Hem deed een woord als ‘plasma’ weer niets. Zo had iedereen zijn
voorkeuren.
Maar vannacht zou er weinig te tekenen geweest. De regen was bij bakken
uit de hemel gekomen, en het onweer was een verzameling geweest van
oplichtende wolken en veel lawaai; mooie flitsen hadden daarin ontbroken.
Marten weet het niet. Hij ziet ’s ochtends alleen de plassen rondom zijn
tent, en hij ruikt de koude morgenlucht en ziet beneden in het dal de
mistbanken hangen. De lucht is nog grauw in het westen, maar in het oosten
breken de eerste zonnestralen al door het wolkendek, en vormen de pilaren van
een gigantische kathedraal. Marten kruipt uit zijn tent, rekt zich uit en
kijkt om zich heen.
Hij kijkt naar de tent van Hugo. Die staat er weer eens bij als een vod.
Het is een wonder dat die jongen nooit met slaapzak en al de tent uitdrijft
als het stortregent. Marten rammelt aan de rits en wacht tot Hugo zich
vertoont.
Hugo heeft dikke ogen van de slaap, en hij kijkt een beetje verdwaasd.
Wakker geworden uit een ingewikkelde droom, raadt Marten.
"Zo, goed
geslapen?" lacht Marten. Hugo gromt wat.
"Het heeft vannacht behoorlijk
gespookt," zegt hij, nadat hij zich een tijdje heeft zitten krabben aan het
hoofd. "Heb jij d’r niks van gemerkt? Ik heb een tijd uit m’n tent liggen
kijken. D’r waren een paar hele harde klappen bij, hier vlakbij…" Hij
zwijgt plotseling, alsof hem iets te binnen schiet.
"Hé, ik ga even
naar het dorp," zegt Marten, "kan ik nog wat voor je meenemen?" Maar Hugo is
in gedachten verzonken en kijkt naar de mistbanken in het dal.
Deel II
"Gaan we over de autoroute of binnendoor?" vraagt Marten.
"Kan
me niet schelen," bromt Hugo. Zo is hij nou al de hele morgen.
Ongeïnteresseerd, in gedachten verzonken.
"Binnendoor dus," beslist
Marten. Hij houdt niet van de snelweg. Teveel auto’s, te weinig natuur in
zicht. ‘Binnendoor’ is trouwens ook een relatief begrip, maar alles beter dan
alleen de autoroute. Hij kijkt op de kaart. Tot aan Clermont de
snelweg, dan naar Moulins, Nevers, Cosne, en bij Orléans weer op de
snelweg. Daarna is het gewoon mis: zo ongeveer tot aan de voordeur over het
brede asfalt. Jammer maar helaas.
Nog voor St. Flour is Hugo in diepe slaap. ‘s Nachts een beetje naar het
onweer kijken is leuk, maar het is ook erg vermoeiend. Marten vindt het niet
erg. Hij zet een cassette op en stuift richting Clermont. De weg is relatief
rustig, de vakanties zijn afgelopen. Des te beter.
Zelfs op de parking is Hugo niet wakker te krijgen, hoewel hij onrustig
lijkt te slapen. Marten laat het maar zo. Hij zet koffie op de primus en eet
een sandwich. Ze zitten vlak onder Moulins. Het schiet lekker op.
Bij Nevers schiet Hugo
ineens overeind.
"T’as vu rien à Nevers," roept hij. Marten
grinnikt. Hij denkt aan de beelden van ‘Hiroshma mon amour’, de film waar die
woorden in voorkomen. Hugo is alweer onderuit gezakt en slaapt verder. Het
is echt een latertje geweest vannacht.
Vlak voor Arras komt er leven in de brouwerij. Hugo wurmt zich overeind,
trekt een blikje cola open en eet een sandwich. Een tijdlang kijkt hij
peinzend uit het raam. Dan zegt hij
plotseling: "Eigenlijk is een auto een vreemd ding. Je zit in een kast met
rondom een aantal beeldschermen waarop de wereld aan je voorbij trekt,
gemonteerd op een frame dat kan bewegen, en de indruk wekt dat men in beweging
is. Die bewegingen zijn keurig gesynchroniseerd met de bewegende beelden op
de schermen. En je gelooft er ook in, je wordt misselijk als de auto
plotseling een ‘duik’ maakt, en je houdt je vast als de auto een scherpe bocht
lijkt te maken." Marten moet er om lachen.
"Je komt toch
maar mooi van een punt A naar een punt B, als je in die
kijkmachine van jou stapt."
"Akkoord, maar wie kan zeggen of de weg die je
hebt afgelegd ook inderdaad de weg is die je op je beeldschermen hebt
gezien?"
"Draai je raampje maar eens open. Of wou je soms beweren dat je
dan naar een beeldscherm kijkt dat achter het raam is gemonteerd?"
Hugo haalt zijn schouders op. Marten doet er nog een schepje bovenop. Hij
wijst op het bord dat de grens aangeeft: "Goed gefilmd, hè?" Hugo
kijkt sikkeneurig uit het raam.